strompelend van stad naar stad
als het opgejaagde wild
trekt de zeekoe verder
zoekend naar zijn ware lot
het ultieme droomland
met de fris groene struiken
een hoorn van redelijke overvloed
wat menig god voor hem bedacht
die stad wil de zeekoe vinden
omdat daar serenia zal zijn
serenia, al wulps en welgevallig
grazend aan een vlekkeloze struik
als zeekoe zijnde is het leven zo
eeuwig jagend naar die droom
want één ding is nu toch wel zeker
“een zeekoe heeft geen hart van steen”